DUVELBLUES 2007 't Hof van Coolhem Puurs - may 26, 2007

Onder een donkere dreigende hemel ben ik vertrokken naar Puurs. Er viel niet veel goeds te verwachten, op weerkundig gebied dan toch. Ter plaatse aangekomen werd ik eerst geconfronteerd met een chantier. Nogal een geluk dat het nog niet regende. Wagen tijdelijk gedumpt voor een garagepoort die sinds het einde van Wereldoorlog II niet meer was open geweest en de laatste dertig meter (ik was er inderdaad vroeg bij, beste lezers) te voet naar de plaats van gebeuren, ’t Hof van Coolhem. Een schitterende site, en infrastructureel prachtig ingericht. Een grote tent beschutte het grote podium en het publiek voor de nakende plensbuien. Het kleine podium vond onderdak in de nabije schuur van ’t hof. En alles binnen handbereik. De afstand tussen grote tent en kleine schuur was zelfs voor een aartsluiaard een fluitje van een cent. Dat was al één punt binnen voor Gust en zijn maten, duveltjes. Een kleine massa vrijwilligers daar, allemaal in ’t rood. Maar toch niet erover zou later blijken. De opkomst groeide buiten de verwachtingen. Alhoewel we het allemaal  eigenlijk wel verwachtten. En iedereen was er erg nieuwsgierig naar, getuige de opkomst van zowat alle Belgische Bluesconcertorganisatoren en clubeigenaars. Dat beloofde alweer een feestje te worden, in het teken van den Duvel dan nog wel. En dat werd het ook. En dat niet alleen wegens de Duvel en de Vedette, maar ook en vooral door de muziek. Want daarvoor waren we in de eerste plaats gekomen. Het ontieglijk ondankbare galeiboevenwerk van festivalopener werd deze keer verricht door ons eigen Belgische combo, The Big Four. Althans de hoofdman-zanger-saxophonist, Bies Biesmans is een landgenoot en ons beter bekend van zijn dito werk bij Blues Lee. Mijn allesoverheersende drang naar waarheid gebied mij te vermelden dat de overige leden Hollandse loonslaven waren. Of om de woorden van Bies himself te gebruiken: reserve-Belgen. Maar desondanks stuk voor stuk puike muzikanten, die zonder meer een foutloos parcours in na-oorlogse big-band  swingmusic  aankunnen zonder éénmaal te struikelen. Hoogtepunten ? Zeer zeker. “Who’s Got the Key “ werkte zeer aanstekelijk en nodigde uit tot meezingen, of wat daar voor moet doorgaan bij sommigen. “Hot Barbecue” was ook zo’n hot item en “It Had to Be You” had voorzeker verschillende koppels voor een sleper op de dansvloer gekregen, mocht die er geweest zijn. Een zeer degelijke aftrap hier van The Bies Four. Bravo.

Verdomme. Na het eerste vuur van deze strijd kreeg ik pas in de smiezen dat de hele tent was dichtgelegd met houten planché. We hadden dus toch kunnen dansen. Wat vooruitziend toch van de “duveltjes”, om ons aldus te behoeden voor modderschuiten van hier tot ginder. Daarna hadden we ons naar de schuur moeten haasten voor Catfish Keith, maar een slechte communicatie maakte dat ik dit heb moeten missen. Maar gelukkig was er later op de avond nog een set gepland van Keith. Het regende nog niet !  Hierna was het reeds de beurt aan mijn top-of-the-bill : Guy Forsyth. Een opmerkelijk goeie zet van de organisatoren om een kanjer aan het begin van een festival te plaatsen. Zo kwam iedereen goed op tijd en was de tent meteen goed gevuld. Onze Austinien is voor geen gaatje te vangen. Hij omarmt alle takken van de Amerikaanse (en zelfs daarbuiten) muziek. Degenen die hun cedeetjes graag per genre rangschikken  in de platenkast of op hun harde schijf hebben met Forsyth een serieus probleem, of desgevallend een bug binnengehaald. Volgens Guy zelf zijn er echter maar drie soorten muziek, and I quote: "There's the stuff you like, the stuff you don't like and the stuff you haven't heard yet." Deze variatie in stijlen maken hem zo ongemeen boeiend. Openen met een gospelsong moet je maar durven. Maar ik had al meteen kiekebisch. Hij smeedde ook twee Bo Diddley-krakers aan mekaar”Who Do You Love” en “ Oh, Mona” prachtig slidewerk op eentje van Robert Lockwood, zijn jeugdverhaaltje “Long, Long Time” van zijn laatste CD, gevolgd door “The Lyon Sleeps Tonight” dat daar haast naadloos op aansluit. Check it out : zing ze maar eens na mekaar. Daarmee vertelde hij ons zonder woorden dat hij niet te bescheten is om zijn voorbeelden te openbaren. Hoor ik daar weer iemand zeggen gepikt ? Kom dat hier eens zeggen. Nee, dit is wat men noemt respect voor de goede voorbeelden. De man is een ‘living catalog of American popular music’ en laat ik dit vooral niet denigrerend klinken. Hij IS het gewoon. Zijn eigen nummers zijn een voortzetting van deze goeie muziek. Verder in zijn set begint hij een zaag te spannen, letterlijk dan. Hij haalt een prachtig stukje viool  uit zijn zaag en ik ben zeker dat dertig procent van de aanwezigen ’s nachts thuis nog heeft geprobeerd of hij dat ook uit zijn jef-zaag kan toveren. Als ultieme bis de tot nader order mooiste versie van “ When the Saints Go Marchin’ In” . Zéér, zéér goed onze Guy Forsyth. Daar kunnen we uren naar luisteren. Nog steeds geen regen!

 Ons gingen ze geen twee keer liggen hebben, dus trokken we een sprintje van de tent naar de schuur met Vedette en al. Daar zat Hell’s Kitchen uit Zwiserland al klaar om ons te verrassen met een stevig stootje juke-joint blues. Ik wist niet dat er daarginds in de Alpen ook juke-joints waren. Misschien hebben ze enkele gîtes omgebouwd om muzikaal gespuis onderdak te verschaffen. Hoe het ook zij, een aangenaam “ duveltje uit het doosje”, deze helse keuken. Een beetje ‘unplugged’ van opzet, maar toch met volume dat het goeie gangen gaf. Dat was niet in het minst de verdienste van de drummer die hier met de gedrevenheid van ene Hertog van Alva tekeer ging, als een duvel in een wijwatervat op een beperkt drumstel maar met toevoeging van een wasmachine-trommel en een washboard. Zo kan hij ‘on the road’ ook zijn wasje en plasje doen. Zang en gitaar Bernard scandeerde met regelmaat een zinnetje in ’t Vlaams: “Wee shijn hieur groog”. Bizarre intro’s en lange drumsessies die mij deden denken aan de ‘fife and drums’-bands van de Northern Mississippi Hills County, gaven het geheel een onwezenlijke sfeer. Maar de grappen en grollen van Bernard brachten ons terug naar de korst. Hoofdzakelijk klassiekers maar met eigentijds en eigenzinnig kleedje, dat brachten ons de suissen. Een eigenaardige versie van “These Boots Are Made for Walking” en “Don’t Judge a Book by Lookin’ at It’s Cover” als slot. Als dubbele bis deden ze “Got My Mojo Workin’” in super up tempo. Misschien wel de revelatie van het jaar. En niet willen regenen, toch niet zeker,

En wij terug naar de grote tent voor Otis Grand & the Big Blues Band. Deze blanke Britse B.B.King-kloon kan mij niet echt meer in beroering brengen, wat niet wegneemt dat hij natuurlijk een grote blues-gitarist is en blijft. Zijn bijna-big-band gaat er geweldig geölied tegenaan en de bluesklassiekers rollen er uit als Golfjes van de band van Vorst in betere tijden. Waarmee ik wil zeggen dat zijn muziek net zo degelijk is als deze wagens maar , net als deze wagens, niemand noch met verbazing slaat. Tenzij hun productie plots gaat stoppen. Dan is het een ramp. Zo ook met Otis. Want ook deze klassieke jongens moeten er zijn om ons geheugen bij tijd en wijle op te frissen. En de dag dat hij er niet meer zal zijn, is dat ook een ramp. Zanger Jimmy Thomas, de witte neger, is met zijn knokige verschijning nog altijd een tegenpool voor de goed in het vlees zittende Otis en hun combinatie is bijzonder geslaagd. Het brengt nog een zekere ‘tension’ in het gebeuren. Zeer goede blues natuurlijk, en vooral voor de absolute leek en novice in het bluesgenre is dit koek van de bovenste plank. En ondanks zijn, een beetje norse, uiterlijk toch een zeer innemende man en niet te beroerd om achteraan in de tent zijn CD’s te komen tekenen. Eindelijk valt er een beetje regen buiten. ’t Is bekanst tijd.

Tussen de druppels terug naar het schuurtje geslopen voor de tweede set van de onvolprezen National Resophonic tovenaar Catfish Keith. Zijn slidespel is loepzuiver en net zo afgeborsteld als hij er zelf altijd voorkomt in ‘col en cravate’. Maar geen enkele keer, ik herhaal, geen enkele keer gaat het vervelen . Integendeel. Hij bracht ons hoofdzakelijk eigen werk en covers van minder bekende klassiekers. Blind Boy Fuller met een moderne toets. Bob Brozman zonder het teacherige . Walking basses en soloslides op de hoge snaren met staccato opwaartse aanslagen gecombineerd met percussie op de gitaarkas om het ritme strak aan te houden, en dit allemaal tegelijkertijd en met één hand. Wizardlike. “Gonna Get My Hambone Boiled”, “Texas T-Bone Party” oorspronkelijk een op trombone gespeeld jazzy muziekstukje, “Nineteen Birddogs” met special guest Guy Forsyth. Hij was daar dan toch. Waarom zou hij dan niet een airke meezuigen op zijn mouthharps. That’s the real spirit. ‘k Heb heb het hier ergens nog gezegd, nog geen week geleden ; dit zouden we wat meer moeten krijgen in onze clubs. In de zomer op barbecue party’s. In de winter in ’t café met de open haard vollen bak. ‘k Zal er altijd bij zijn. Stevige stuff die Catfish Keith. Ondertussen was het eindelijk aan ’t draschen. ’t Kon niet meer op. Maar ’t kon ook geen kwaad meer. Al het volk was er toch en het had nu het effect dat ze langer bleven vanwege de zware regenval. Allemaal in de tent waar de plon gesprongen bleek te zijn. Gelukkig alleen die van het zaallicht en met de noodverlichting konden we ruimschoots uit de voeten om onze pinten te vinden.

De afsluiters Nine Below Zero mochten aldus nog altijd op een volle tent bogen, waar dat op festivals wel eens wil tegenvallen met de laatste band als het voordien al heel goed geweest is. Nine Below voerde ons terug naar de sixties en de Britsh Blues Boom. Dat accentueerden ze nog eens extra door vele nummers van de intro’s van toendertijdse kaskrakers te voorzien “ You Really Got Me”, “My Generation”……..De ritmesectie Brendan O’Neill en Gerry McAvoy komen uit de gelederen van de betreurde Rory Gallagher en kennen dus het klappen van de zweep. Zanger-gitarist Dennis Greaves is al sinds 1977 bezig met deze groep maar laat nog steeds geen vermoeide passages zijn werk binnensluipen. Dat wijst op grote professionaliteit. En het is deze vakmanschat die maakte dat iedereen bleef hangen tot de laatste noot. Dat en de nodige dosis nostalgie uiteraard. Want is onze interesse voor de blues niet opgewekt door de covers van deze Britse bands in de sixties. Graham Bond, The Yardbirds, John Mayall’s Bluesbreakers, The Rolling Stones…en ga zo maar door…Een J.B.Lenoir song ging ongemerkt over in “Sugar Pie, Honey Pie” en “On the Road Again” was een betere versie dan degene die ik hoorde, een paar maanden geleden, van de hedendaagse Canned Heat. Bissers kregen we in de vorm van een prachtig “Wooly Bully” van Sam the Sham & the Pharaohs. Zeer entertainend deze Nine Below Zero. Het gaf het geheeleen pre-festival, reuzebal-achtig gevoel.

Zeer geslaagd festival en een uitermate geschikte en prachtige site. De ploeg rode duvels van de Gust zijn een winning team, wat niet kan gezegd worden van die andere nationale ploeg met conform luidende naam. Proficiat, boys en tot volgend jaar. Verwacht je vooral aan een nog grotere opkomst.

Review: witteMVS
Photo's: Marc van daa Stoaze